Op bezoek in woon- en zorgcentra
We kennen die ervaring: een bezoek aan bewoners van woon- en zorgcentra is soms een opgave. We stellen het gemakkelijk uit.
Waarom is het voor ons moeilijk?
In een woon- en zorgcentrum vind je niet gemakkelijk je weg. Soms ken je het kamernummer niet, en er is niet altijd een lijst van bewoners geafficheerd. De gangen kunnen erg op elkaar lijken. En voor de toegang tot sommige gedeelten heb je een cijfer of lettercode nodig, vaker om weer naar buiten te gaan.Het voorbehoud gaat ook dieper. In onze samenleving worden schoonheid en jeugdigheid zeer geprezen, de bewoners zijn dat niet echt meer. Ze zijn bekleed met de schoonheid van de ouderdom, maar daar hebben we het niet op begrepen. Sommigen kunnen moeilijk spreken, sommigen horen moeilijk. Velen zitten in een rolstoel.
Waarom op bezoek gaan?
Christus zet ons hiertoe aan: de zieken bezoeken is een werk van barmhartigheid. En die werken van barmhartigheid zijn geen overbodige luxe, ze behoren tot de kern van ons christen-zijn. Er zonder kan het niet: voor zover we na onze dood door God geoordeeld worden, zal het daarover gaan. In die mensen (aan de rand) is Christus aanwezig, wie Hem in de mensen negeert, zal Hem nergens elders vinden.
Wat kan ons bezoek baten?
In de krant stond het resultaat van een onderzoek naar de levenskwaliteit van de bewoners in woon- en zorgcentra. Het psychisch welzijn van de helft van de bewoners lijkt niet zo OK te zijn. De krant besluit: “alles draait rond betrokkenheid, relaties, verbinding met elkaar”. Wanneer bewoners een bezoek krijgen van ‘buiten’, dan schept dat een relatie, betrokkenheid. Nogal wat bewoners gaan gebukt onder het idee dat ze een last zijn, omdat ze niet meer presteren.De overgang van hun huis naar een kamer is een zeer grote overgang: je laat zoveel achter wat je dierbaar is, er is de moeizame erkenning dat het in je huis niet meer lukt, er is het nieuwe tijdschema van het WZC, er zijn nieuwe tafelgenoten of buren, je bent afhankelijk van de hulp van de verpleegkundigen en verzorgenden, het is je laatste levensfase.
Bewoners die deze overgang kùnnen maken, zijn doorgaans gelukkig. Voor anderen is het heel lastig.
Hoe op bezoek gaan?
Het is vrij eenvoudig: even naast de bewoners gaan zitten, zonder bedoeling, zonder nieuwsgierigheid, maar bereid om te luisteren. En dan kan er heel wat aan bod komen: een levensverhaal met zijn mooie en minder mooie kanten, de pijn om het afscheid van een partner of het overlijden van kinderen of kleinkinderen, de snijdende pijn wanneer het contact verloren is met kinderen of kleinkinderen. Mensen hebben veel tijd wanneer ze op hun kamer zijn en maken de balans van hun leven op.Wij kunnen daaraan niet veel veranderen, het lijkt me onmogelijk en niet wenselijk om de gemoedsgesteltenis van een bewoner te ‘veranderen’, maar we kunnen luisteren en een volgende keer nog luisteren. Ja, en er zijn mooie verhalen, gelukkig maar. We kunnen ons daaraan optrekken. Maar in die andere verhalen was Jezus geïnteresseerd toen Hij rondtrok. Het is soms vermoeiend om te luisteren, en we mogen daarbij onze beperktheid en onze grenzen onder ogen zien. Beter je grens erkennen, dan ze roekeloos te overschrijden.En om bewoners te bezoeken hoef je geen pastor te zijn (al zijn die daar wel voor opgeleid): als vrijwilliger, als familielid, als buur op bezoek, kan je heel wat betekenen. Wees daarvan overtuigd.
Tot slot:
Wanneer we over ‘pastoraal’ spreken hebben we het graag over de vieringen en over het aantal mensen dat deelneemt. Misschien nog belangrijker is het andere luik: herder zijn van mensen door je betrokkenheid, je verbondenheid, luisteren vooral.
Pr. Eddy Lagae.










